Geïnteresseerd? Bestel mijn boek bij je lokale boekhandel of Bol.com.
  • 13
    apr
    2012

    Twitter als revolutieradar. Handig, dan kun je snel ingrijpen

    Op sociale media proberen we allemaal zo uniek mogelijk te doen. In werkelijkheid klonteren we samen rondom bekende personen, kwetteren we elkaar na en zijn we van het ene op het andere moment allemaal verontwaardigd over hetzelfde. De macht is aan degene die het gedonder van verre ziet aankomen.


    De CIA doet daar niet geheimzinnig over. Haar afdeling voor buitenlandse media is zelfs opgenomen in een nieuw, overkoepelend Open Source Centre. Op een industrieterrein in Virginia worden zo’n vijf miljoen tweets per dag door software geanalyseerd.

    De uitkomsten van die analyses worden vervolgens via www.opensource.gov beschikbaar gesteld aan ambtenaren. “Onze website bevat bronnen van meer dan honderdzestig landen, in meer dan zestig talen”, luidt de introductietekst. Dagelijks ontvangt president Obama een momentopname van de publieke opinie. Belangrijk was de situatie na het doden van Osama bin Laden. Als de woede daarover zich organiseert kan dat een bedreiging vormen. Snel reageren op hoog oplopende gemoederen, de juiste woorden kiezen, kan de druk wat van de ketel halen.

    Doug Naquin, directeur van het centrum, claimde tegenover persbureau AP dat hij de revolutie in Egypte zag aankomen. De vraag is echter hoe vroeg zijn analisten dit inzicht kregen. Hoe kun je voorspellen dat getwitter over een bepaald onderwerp zich zal ontwikkelen van bewustzijn tot mobilisatie en uiteindelijk actie? De snelheid waarmee mensen zich met elkaar verbinden via Facebook of Twitter kan een aanwijzing zijn. De alarmbellen moeten misschien gaan rinkelen als beroemdheden, met veel volgers, zich mengen in een politieke discussie. Of als een activist in korte tijd heel veel volgers krijgt.

    Potentie van politieke beweging voorspellen

    Op Slate.com bespreekt Luke Allnut, specialist in digitaal activisme, een aantal recente studies en analyseprogramma’s. “In het eerste kwartaal van 2010 werd 57 procent van de Arabische conversaties op sociale media gevoerd in economische termen als inkomen, huisvesting en minimumloon”, citeert hij uit een rapport. “In 2011 was dat aantal gedaald tot 37 procent. In 2010 ging 35 procent van de gesprekken over politiek, waarin termen als revolutie, corruptie en vrijheid werden gebruikt. In 2011 steeg dat tot 88 procent.”

    Interessant is de ‘twitterreconstructie’ van de Egyptische opstand. Met het programma Gephi Graph Streaming visualiseerde de Universiteit van Turijn het gebruik van  de ‘actietag’ #jan25 op 11 februari 2011, de dag dat president Mubarak zijn aftreden aankondigde. In het filmpje zie je een digitaal Tahir-plein volstromen.

    Dat het gesprek van de dag in de Arabische wereld politiseerde hadden we ook zonder sociale media kunnen waarnemen, geeft Allnut toe. “Datavisualisatie komt daarom pas echt tot zijn recht als het ons in staat stelt patronen te zien die we normaal gesproken missen. Patronen die toegepast kunnen worden in andere contexten.” Hiermee doelt hij op het sociologische inzicht dat niet het individu, maar de omgeving veelal een bepalende factor is. Netwerkgrafieken kunnen ons volgens Allnut iets vertellen over de levensduur van politieke bewegingen, hun verwachte groei en uiteindelijke ondergang.

    Ter illustratie haalt Allnut het crisisprotest Occupy en de conservatieve Tea Party aan. Het Twitter-netwerk (zie plaatje) van de eerste beweging is weliswaar veel minder dicht dan de tweede, maar dat betekent niet dat het geen potentie heeft: het aantal geïsoleerde Occupy-twitteraars voorspelt namelijk een grote reikwijdte, mondialisering zoals we nu kunnen vaststellen. Van Wall Street tot het Beursplein in Rotterdam.

    Een hecht netwerk als de Tea Party mag dan krachtig en georganiseerd zijn, maar de geslotenheid ervan staat groei in de weg. “In organisatie zijn het heel verschillende groepen”, verklaart onderzoeker Marc Smith van de Social Media Research Foundation. “Occupy is veel diffuser en diverser.” Met andere woorden: Occupy spreekt mensen met uiteenlopende overtuigingen aan, de patronen op Twitter reflecteren dat. De ironie wil dat de zwakke organisatie haar kracht bleek, de drempel om te participeren was uiterst laag.

    Als bij een toekomstige beweging zich een soortgelijk patroon aftekent, zo wil de gedachte, dan kunnen overheden daarop anticiperen. Van de andere kant bekeken: acties worden mogelijk effectiever als de initiatiefnemers een patroon ‘voorkoken’. Zoek bijvoorbeeld uit wie de sleutelfiguren zijn in bepaalde gemeenschappen en vraag ze om je boodschap te retweeten.

    Het onderzoek staat nog in de kinderschoenen, benadrukt Allnut. Analisten worstelen bijvoorbeeld met de slechte representativiteit van sociale media, waarop vooral goed opgeleide en redelijk vermogende mensen zitten. Zeker in het Midden-Oosten geeft dat een scheef beeld: internetters aldaar zijn waarschijnlijk liberaler dan hun offline medeburgers.

    Bovendien is het voor een softwareprogramma lastig om serieuze tweets te onderscheiden van berichten met een ironische of andere ondertoon. Het gebruik van een term zegt ook weinig over de bedoeling erachter. De mensen die ‘Occupy’ trending maakten zaten immers niet allemaal in een tentje, misschien verafschuwen ze het fenomeen zelfs. Allnut: “Het Twitterversum is niet het universum.”

    Gepubliceerd: NRC

NRC

Voor NRC Handelsblad, nrc.nl en nrc.next schreef ik sinds mijn aanstelling in september 2007 meer dan 800 artikelen. De meeste daarvan als opiniemaker voor nrc.nl.

Over de auteur

Archief artikelen van Steven de Jong. Op deze site kunt u zijn artikelen uit de periode 2001-heden lezen.

E-mail: dejongsteven@gmail.com
  • Volg Steven de Jong op Twitter!
  • Volg Steven de Jong op LinkedIn!