Bestel bij:
Dejongsteven@gmail.com
  • 04
    feb
    2010

    ‘Opvoeden te belangrijk om alleen aan ouders over te laten’

    Opvoeden doe je niet alleen, vindt Eric Helder, PvdA-wethouder Jeugd & Onderwijs van Enschede. Op 4 februari ging hij online in debat met ouders, begeleiders en deskundigen. Hoe spreken we mensen aan op de opvoeding van hun kinderen? Daarover liepen de meningen uiteen. Een verslag van een vurig debat.

    Enschede, 4 februari 2010 – Het debat maakte deel uit van de landelijke opvoedestafette van het ministerie van Jeugd & Gezin. De organisatie was in handen van de gemeente Enschede, het ouderloket Loes van het Centrum voor Jeugd & Gezin en de Debatkamer Overijssel. Vier thema’s stonden centraal: elkaar aanspreken op de opvoeding, het opvoedingscanon, de bewegingsvrijheid van kinderen en de zogeheten Pedagogische Civil Society.

    Vaders en moeders aanspreken

    “Opvoeden doe je niet alleen”, zo luidt het credo van Eric Helder. “Anderen mogen zich daar mee bemoeien.” Als je bijvoorbeeld in de rij staat voor de Efteling en ouders dringen onhebbelijk voor, dan is dat volgens hem een slecht voorbeeld. “En je mag er ook iets van zeggen als kinderen in dezelfde rij staan te schreeuwen. Die ouders moet je natuurlijk aanspreken.”

    Moeder Marianne Coppolecchia is het daar mee eens, maar vindt het moeilijk om te besluiten wanneer ze ouders ergens wel of niet aanspreekt. “Sommigen kunnen dat helemaal niet waarderen. En je loopt dan het risico dat je een discussie krijgt met de kinderen erbij. Dat is vervelend als je een dagje uit bent.”
    We moeten het niet te zwaar maken, zegt Pieter Paul Bakker, trainer en adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). “Aanspreken kan ook met een kwinkslag. Ik vraag me echter wel af waarom Eric de term ‘bemoeien’ en ‘gezamenlijk’ opvoeden in één context gebruikt.” Het mag ook positief-stimulerend zijn, verduidelijkt Eric, die eerder al aangaf dat er “best gelachen mag worden”. Maar, zo geeft hij toe, iets over de opvoeding van anderen zeggen “zal al snel als ‘bemoeien’ worden ervaren.” Dat is echter geen reden om de kop in het zand te steken. “Opvoeden is te belangrijk om het alleen aan de ouders over te laten.”

    Vader Ewald van Veen past daar voor. “Zomaar mensen, of ze nou in de rij staan bij de Efteling of ergens anders, moeten hun eigen gang kunnen gaan.” Inderdaad, zegt Lidy Koerselman, medewerker opvoedondersteuning bij welzijnsorganisatie Alifa. “Die vervelende sfeer zal er niet toe leiden dat de kinderen zich beter gaan gedragen. Wat Eric zei, een beetje lachen of iets met humor zeggen, kan het ijs soms breken.”

    Normen stellen

    Wat als er opeens iemand bij jou voor de deur staat met een welgemeend opvoedadvies? “Ik voel me zeker niet aangevallen als ik op het gedrag van mijn eigen jongens aangevallen wordt”, zegt Marianne. “Die kunnen net zo goed iets verkeerd doen.”

    De andere deelnemers laten deze vraag voor wat ze is. Pieter Paul vraagt zich af of we misschien te bang zijn dat iedereen er heel verschillende normen op nahoudt. “Die normen komen waarschijnlijk meer overeen dan we denken.”

    Saskia van Triest, verpleegkundige Jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor 0 tot 4 jarigen, bevestigt dat vermoeden. “Het lastige is dat iedereen zijn eigen norm heeft voor aanvaardbaar gedrag. Dat wat je zelf niet prettig vindt kan als leidraad dienen.”

    Dat brengt de deelnemers op het opvoedingscanon van de gemeente Den Haag. Een lijst met 51 adviezen voor goed ouderschap. Gezinsbegeleider Annet Stroot ziet er een naslagwerk in. “Het geeft informatie over waar bepaald gedrag vandaan komt.” Ewald vreest echter dat het een vorm van bemoeienis is. “Maar zolang het adviezen blijven, vind ik dat zo iets zeker aangeprezen kan worden.” Maatschappelijk werker Margo Strik tilt er minder zwaar aan. “Ouders bepalen uiteindelijk zelf wat ze belangrijk vinden in de opvoeding. En dat recht hebben ze mijns inziens ook.” Vader Karst van der Leij ziet het opvoedingscanon eveneens als een vrijblijvend document. Het enige verschil is dat de adviezen van buiten de familiaire sfeer komen. Vroeger volgde hij als ouder namelijk zijn ouders qua opvoedingsstijl. “Zo zou je ook met het opvoedingscanon om kunnen gaan.” Toch denkt vader Kahraman Sariaslan dat het niet is opgesteld om er naar believen gebruik van te maken. “Ik ben benieuwd of de doelstelling van zo’n opvoedcanon wordt gehaald.”

    Het draagt bij aan kennis en debat, zegt Pieter Paul. “Vervolgens komt het er helemaal op aan hoe zaken rondom opvoeden in de praktijk en werkelijke ontmoetingen tot uitdrukking komen.” En dat is waar ik bang voor ben, reageert Ewald. “Het begint bij adviezen en dan gaat de ene na de andere organisatie er mee aan de haal.” Niks moet, zo stelt Lidy hem gerust.

    De wethouder heeft een probleem met de term ‘opvoedingscanon’. “Dat vind ik te zwaar aangezet. Het lijkt dan net alsof er vaste waarden zijn, terwijl je volgens mij juist met elkaar in gesprek moet gaan om erachter te komen wat wel en wat niet kan. Daarom debatteren we nu ook.”

    Hebben we er zelf iets aan? Ja, zegt Marianne. “Als alleenstaande ouder beleef ik weleens een moment waarop ik denk: zou het zo goed zijn?” Net als Annet ziet ze het als naslagwerk. “Voor als we even niet meer weten hoe we het het beste zouden kunnen doen.” Dat is ook Margo’s ervaring, maar dan vanuit haar praktijk. “Ouders die met vragen zitten vinden een leidraad prettig. Ze willen echter niet betutteld worden.” Ook Kahraman vindt het een goed initiatief. Maar hij vraagt zich wel af hoe je dit bij alle ouders tussen de oren krijgt. “Dat zijn er zoveel.” Dat hoeft niet zo nodig, vindt Saskia. “Ik zou het willen zien als een hulpmiddel voor de contacten en discussies met ouders.” Maar Ewald blijft kritisch. Vooral omdat de onderzoekers die het canon hebben opgesteld zeggen dat het gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. “Die spreken zich altijd weer tegen”, aldus Ewald. “Hoe kan het wetenschappelijk bepaald zijn hoe ik mijn kinderen het beste kan opvoeden?” Annet wil dat nuanceren. “Het is niet wetenschappelijk bewezen hoe je kinderen moet opvoeden, maar er zijn wel methoden die wetenschappelijk bewezen werkzaam zijn.”

    Karst voegt zich als alleenstaande ouder bij Mariannes standpunt. “Ik begrijp volledig wat je bedoelt. Je mist op sommige momenten de feedback van een partner.” Dat herken ik, zo reageert Marianne. “Soms vind ik het prettig om dingen terug te koppelen naar een volwassene. Of dingen op het internet te kunnen lezen over opvoeden.” Alleen Mirjam Kacmaz, medewerker opvoedondersteuning bij welzijnsorganisatie Alifa, pleit voor het opvoedingscanon als normerend kader. “Ik vind het belangrijk dat ouders op één lijn zitten. Iedere ouder heeft een eigen aanpak.”

    Kinderen loslaten

    Ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma schreef vorig jaar in een opiniestuk dat het kind te weinig met rust wordt gelaten. Hij haalde een uitspraak aan van de Zweedse pedagoge en activiste Ellen Key: “Het kind niet met rust laten is de grootste misdaad der tegenwoordige opvoeding.” Een citaat uit 1900. De keerzijde van alle opvoedkennis is volgens hem: hoe meer we weten, des te onzekerder we worden. Opvoedhandboeken versterken die onzekerheid, volgens de psycholoog.

    Dat is eigenlijk ook een kritiek op het strak georganiseerde pedagogische netwerk, zoals de brede scholen en buitenschoolse opvang. We creëren volgens Breeuwsma kinderen die in eerste instantie tegemoetkomen aan de wensen van volwassenen om er later misschien des te sterker afstand van te nemen. “Tja, dan moeten we eerst vaststellen wat we precies onder een brede school verstaan”, zo reageert Pieter Paul op deze theorie. “In ieder geval niet een gesloten educatieve inrichting, maar meer afstemming op pedagogisch-educatief vlak.”

    Wat is ruimte, wil Kahraman weten. “Hoe groot. En tot waar?” In een strak geregisseerd programma is die in ieder geval beperkt, vindt Annet. “Dat kan impulsen en de creativiteit van kinderen misschien de kop in drukken.” Daar valt een oplossing voor te vinden, meent Pieter Paul. “Binnen een brede school kun je rustmomenten creëren. Dan zorg je dus ook voor ruimte.” Marianne haalt de klassieker ‘rust, reinheid en regelmaat’ aan. “Die drie r’s zijn nog steeds belangrijk.” Maar opgelegde rust, zo werpt Annet tegen, komt misschien niet tegemoet aan wat een individueel kind op dat moment zou willen. Moeder Marion van Gils heeft behoefte aan een definitie van ‘rust’. “Wil dat zeggen: kinderen niet aanspreken op hun handelen?” Voor Margo komt dat neer op de vrijheid van kinderen om zelf de wereld te kunnen ontdekken, zonder steeds toezicht te hebben van volwassenen.

    Het gaat niet om toezicht maar om de verwachtingen, vindt Mirjam. “Omdat er veel druk wordt uitgeoefend raken de kinderen in de war.” De kinderen moeten te veel, vindt ook Lidy. “Laat kinderen met enige stimulans hun gang gaan. En geef aandacht als daarom gevraagd wordt.” De praktijk geeft een ander beeld, weet Marianne. “Op school moeten ze al heel veel kunnen. Komen ze thuis, dan moeten ze aan hun hobby’s, zoals muziek en sport.”

    Ewald reageert op een eerdere opmerking van Pieter Paul. Die vroeg zich af waar die zorg over dat strakke keurslijf eigenlijk vandaan komt. Zijns inziens hebben ouders daar ook iets over te zeggen. Op de man af vraagt Ewald nu: “Tot in hoeverre mag jij iets over de opvoeding van mijn kind zeggen? Pas als ik er om vraag?” Ik doe dat altijd in dialoog, luidt Pieter Pauls reactie.

    De wethouder probeert Edwalds zorg weg te nemen. “Natuurlijk moet er ruimte blijven voor avontuur. Als gemeente willen we het leven van kinderen heus niet dichtregelen. Maar we willen wel steun bieden als dat nodig en gewenst is.” Toch maakt hij een kanttekening bij ouders die niet om steun vragen terwijl ze dat wel nodig hebben. “Dan vind ik dat wij als samenleving ons daar wel mee mogen bezig houden, in het belang van het kind.” Daar is Pieter Paul het “helemaal mee eens”. En Margo wijst erop dat ouders niet altijd hulp durven vragen uit angst om af te gaan. “Ouders zijn soms bang voor een stempel”, denkt Marianne. Lucy Schoenaker, pedagogisch medewerker bij het Loes-loket van het Centrum voor Jeugd en Gezin, laat weten dat daar al een oplossing voor is. “Daarom is Loes nu te vinden tussen de boeken!”

    Journaliste Lenore Skenazy schreef vorig jaar in The New York Sun dat ze haar zoon van 9 in zijn eentje met de metro had laten reizen. Hij kwam veilig en voldaan thuis, maar landgenoten gaven haar de bijnaam ‘America’s Worst Mom’. Haar credo is: laat je kinderen zo af en toe aan hun lot over. Skenazy goot haar ideeën over opvoeding in boekvorm en noemde het ‘Freerange Kids’. Vrij vertaald: scharrelkinderen. De Amerikaanse socioloog Frank Furedi zit op dezelfde lijn. In zijn boek ‘Bange ouders. Opvoeden zonder zorgen’ gaat hij de strijd aan met paniekerig ouderschap. Slow ouderschap zou je deze beweging kunnen noemen. Maar wat moet een samenleving die het beste voor heeft met alle kinderen hiermee aan? Vrijzinnige ouders zitten echt niet te wachten op opvoedadviezen van gemeente of buurvrouw.

    “Het gaat erom”, zo reageert Pieter Paul, “of het goed gaat met deze scharrelkinderen.” Bemoeien is niet de intentie, verduidelijkt hij. “Het gezamenlijke belang is het welzijn van het kind.” Mirjam zegt het nog explicieter: “Scharrelkids moeten geen loslopende kids worden.” En volgens Marianne is het de vraag of het kind toe is aan scharrelen, of dat het alleen vanuit de ouder komt. “Net als scharrelkippen moeten deze kinderen meer ruimte krijgen”, vindt Lucy. “Maar wel met een duidelijke grens.” Dat baart Ewald zorgen. “Wie stelt die grens, wie houdt het onder controle?”

    De Pedagogische Civil Society

    Sociale controle, daar gaat het dus om. Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter maakte dat concreet toen hij in september 2009 zijn concept van een Pedagogische Civil Society presenteerde aan minister Rouvoet (Jeugd & Gezin, ChristenUnie). Kort gezegd komt het erop neer dat hij een lans breekt voor het opheffen van generationele scheidingen in gemeenschappen. Hij vertelde over een zwembad in Hongarije, dat bevolkt wordt door mensen van alle leeftijden. Van bejaarden tot kleuters, vaak hele families met drie generaties. In Nederlandse zwembaden zie je dat nauwelijks. Hier heb je trim-zwemmen voor kleuters, discozwemmen voor puberende breinen, moederzwemmen en waterpret voor senioren. We kunnen beter een voorbeeld nemen aan Hongarije, meent De Winter. “Terwijl Nederlandse zwembaden gedomineerd worden door ongeleide projectielen die enorm veel herrie produceren, waren de Hongaarse multigeneratiezwembaden een oase van rust. Er heerste een soort van stilzwijgende sociale controle waar openlijke correctie eigenlijk nauwelijks nodig bleek”, aldus het lid van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling. Om de verbrokkeling van sociale relaties in woonomgevingen tegen te gaan pleit hij voor eenzelfde samenstelling.

    Hoe kan een gemeente de zogeheten Pedagogische Civil Society optuigen? Wat kunnen de bewoners daar zelf aan bijdragen?

    De netwerken gebruiken die er al zijn onder ouders, tipt Saskia. “De peuterspeelzalen, groepjes die bij elkaar komen na zwangerschapsgym.” Lucy geeft aan dat er in Enschede al heel veel voorzieningen zijn, maar dat niet iedereen van alles op de hoogte is. Annet ziet meer een sociaal-psychologische drempel die overwonnen moet worden. “Ouders zouden moeten leren dat het hebben van vragen over opvoeden een applausje waard is.” Pieter Paul geeft aan dat de Pedagogische Civil Society er niet één is van correctie, maar gestoeld is op het idee van onderlinge betrokkenheid, vertrouwen, steun en verantwoordelijkheid. Volgens Eric is de brede school daar bij uitstek geschikt voor. Ruim zeventig procent van de basisscholen in Enschede valt daaronder. “Dat is een plek in de buurt waar meer te vinden is dan alleen de school zelf. Ook kinderopvang, peuterspeelzaal, ruimte voor computerles en een opvoedingsspreekuur. Zo stimuleer je dat opvoeden geen eenzame taak is.” Saskia ziet voor het consultatiebureau een belangrijke rol. Daar wordt medische basiszorg gegeven aan alle kinderen van 0 tot 4 jaar. “Hier komen bijna alle ouders. Het bureau moet voelsprieten hebben voor de vragen, zorgen en signalen die ouders afgeven.”

    Naast de bestaande instituten beter onder de aandacht brengen vinden de deelnemers ook dat de welwillende burgers in kaart gebracht moeten worden. “Die kunnen zich best inzetten voor bewonerscommissies, scholen en vrijwilligerswerk”, aldus Mirjam. We moeten niet van bovenaf de Pedagogische Civil Society inrichten, vervolgt Pieter Paul. “Maar vooral bestaande netwerken in beeld brengen, steunen en uitbreiden.” Dat zal niet altijd even gemakkelijk zijn, denkt Mirjam. “Als je door sommige buurten loopt is er niemand thuis!” Daar ligt een taak voor de gemeente, zegt Pieter Paul. “Burgers moeten weten wat de mogelijkheden zijn.” Tot slot wil Eric kwijt dat we kinderen en jongeren ook zelf een stem moeten geven. “We praten veel over jongeren, maar te weinig met hen.” Toch is Enschede op de goede weg, zegt de wethouder. “In Velve-Lindenhof, onze Enschedese krachtwijk, komt nu een kinderraad. Zo neem je jeugd serieus.”

    Voor de provincie Overijssel en het ministerie van Jeugd en Gezin leidde ik op 4 februari 2010 een online debat tussen de Enschedese wethouder Helder, deskundigen en opvoeders. Het debat werkte ik vervolgens uit in dit verslag.

    Gepubliceerd: Overige media

Over de auteur

Steven de Jong (1981) is opinieredacteur van NRC Handelsblad. Op deze site kunt u zijn artikelen uit de periode 2001-heden lezen. Artikelen voor 2007 zijn geschreven voor andere media. Zie ook de rubrieken Boeken, Fictie (korte verhalen), Onderzoek, Freelance en Blog.
E-mail: dejongsteven@gmail.com
  • Volg Steven de Jong op Twitter!
  • Volg Steven de Jong op LinkedIn!