Geïnteresseerd? Bestel mijn boek bij je lokale boekhandel of Bol.com.
  • 20
    jan
    2009

    Individueel succes is een product van de maatschappij

    Om de top te bereiken hoef je geen natuurtalent te zijn. ‘Goed genoeg’ zijn is voldoende. Echt succes is namelijk geen individuele verdienste, betoogt Malcolm Gladwell in zijn boek Uitblinkers. “Succes is een product van de maatschappij.”

    Genialiteit is uitzonderlijk, maar waarom blinkt niet elk genie uit? Malcolm Gladwell (1963), voormalig wetenschapsjournalist van de Washington Post, verklaart dat in zijn boek (Uitgeverij Contact, 2008) aan de hand van zijn eigen basketball-theorie. “Een speler van 2,03 meter is niet automatisch beter dan iemand die 5 centimeter korter is. Michael Jordan, de beste speler ooit, was tenslotte 1,98. Een basketbalspeler hoeft alleen maar lang genoeg te zijn, en dat geldt ook voor intelligentie”, aldus de auteur.

    Het IQ-minimum
    Dat je voor wetenschappelijk uitmuntende prestaties alleen maar ‘slim genoeg’ hoeft te zijn, zegt ook de Britse psycholoog Liam Hudson. “Het is ruimschoots bewezen dat iemand met een IQ van 170 meer kans heeft om goed te kunnen denken dan iemand met een IQ van 170”, zo citeert Gladwell de wetenschapper. “En dit gaat ook op als de vergelijkingspunten veel dichter bij elkaar liggen, bijvoorbeeld IQ’s van 100 en 130. Maar de relatie lijkt weg te vallen zodra we mensen vergelijken die allebei een relatief hoog IQ hebben. Een volwassen wetenschapper met een IQ van 130 heeft net zoveel kans om een Nobelprijs te winnen als een wetenschapper met een IQ van 180.”

    Tienduizend uur oefenen
    Het bereiken van de top doe je niet op intelligentie alleen, is Gladwells overtuiging. Die bewering onderbouwt hij met een onderzoek van de psycholoog K. Anderson Ericsson. Die verdeelde violisten van de Berlijnse Hochschule für Musik in drie groepen. Een groep die het potentieel had om tot de wereldklasse te gaan behoren, een groep die gewoon goed was en een groep die van plan was muziekleraar te worden op openbare scholen. Het eigenaardige aan Ericssons onderzoek, zo schrijft Gladwell, is dat hij geen ‘natuurtalenten’ kon vinden; musici die met minimale studie fluitend naar de top doorstootten. Evenmin was er sprake van ‘doorzetters’; musici die alleen maar door keihard te studeren sublieme prestaties leverden. Integendeel: “Op hun twintigste hadden de uitverkoren spelers er allemaal in totaal tienduizend uren studie op zitten. De gewoon goede spelers hadden achtduizend uren gestudeerd en de toekomstige muziekleraren net iets meer dan vierduizend.”

    Basketballspelers, wetenschappers, musici. Zij hoeven dus alleen maar lang of goed genoeg te zijn. Het onderscheid tussen zij die professioneel hun vak uitoefenen en zij die tot de wereldklasse gaan behoren wordt vooral bepaald door hoe hard er wordt gewerkt. “Sterker: degenen aan de uiterste top werken niet zomaar veel harder. Ze werken, veel, véél harder.”

    Gladwell illustreert zijn theorie met overtuigende voorbeelden. Wolfgang Amadeus Mozart (1756 – 1791), de componist wiens genialiteit niet ter discussie staat, begon op zijn zesde met het schrijven van muziek. Toch maakt Gladwell een kanttekening aan de hand van biografieën over Mozart. Volgens de psycholoog Michael Howe, auteur van Genius Explained, zijn Mozarts vroege werken, naar de standaarden van rijpe componisten, niet opvallend. “Van de werken die alleen oorspronkelijke muziek van Mozart bevatten, is het vroegste dat we nu als meesterwerk beschouwen (nr. 9. K. 271) pas gecomponeerd toen hij eenentwintig was: tegen die tijd was Mozart al tien jaar bezig geweest met het componeren van concerten.” De muziekcriticus Harold Schonberg gaat nog verder, schrijft Gladwell. De componist die een stempel drukte op de klassieke muziek zou eigenlijk een “laatbloeier” zijn: het beste werk kwam pas uit zijn handen toen hij meer dan twintig jaar bezig was geweest met componeren.

    Hetzelfde zou opgaan voor schaakgrootmeesters, zoals de Russische Garri Kasparov. Op 22-jarige leeftijd kwalificeerde hij zich als jongste wereldkampioen aller tijden, en jaren daarvoor stond hij al aan de top van het jeugdklassement. Net als Mozart behoorde Kasparov dus ook pas na tien jaar oefenen tot de wereldklasse. “Alleen de legendarische Bobby Fischer bereikte dit uitverkoren niveau in minder tijd: hij deed er negen jaar over”, aldus Gladwell.

    Die tien jaar komt telkens terug in het boek van Malcolm Gladwell. “Dat is ongeveer de tijd die nodig is om tienduizend uren hard te kunnen oefenen. Tienduizend uren is het magische getal voor grootheid.”

    Hamburg
    Tienduizend uur, in tien jaar dus. Maar waar haal je die tijd vandaan? Naast school, naast werk. De omgeving van een genie moet daartoe de juiste condities scheppen. Ook hierin heeft Gladwell zich verdiept; het recept voor wereldklasse is volgens hem niet alleen een kwestie van oefenen. Nee, talenten hebben hun ‘Hamburg’ nodig. Daarmee doelt hij op de periode van de Beatles voordat zij als band doorbraken. “In 1960, toen ze nog maar een worstelende middelbare-schoolrockband waren, werden ze uitgenodigd om in Hamburg in Duitsland te spelen”, weet Gladwell. “Er was een bepaalde clubeigenaar die oorspronkelijk kermisbaas was. Hij vatte het plan op om rockgroepen in verschillende clubs te laten spelen. Ze hadden een formule. Het was een enorme non-stopshow. De bands moesten aldoor blijven spelen om het voorkomende verkeer vast te houden.” In Liverpool hadden de Beatles nooit sessies van langer dan een uur gedaan en speelden ze bij elke gelegenheid alleen maar hun beste nummer, zoals zoveel bands doen. “Maar in Hamburg”, zo vertelde John Lennon in een interview, “speelden we acht uur aaneen. We moesten echt een nieuwe manier van spelen zien te vinden.”

    Alles bij elkaar traden ze 270 avonden op in net iets meer dan anderhalf jaar. Tegen de tijd dat ze in 1964 hun eerste uitbarsting van succes hadden, hadden ze ongeveer 1200 keer live opgetreden. Dat is meer dan de meeste bands van tegenwoordig in hun hele carrière doen. “Het is de vuurproef die de Beatles van de anderen onderscheidde”, aldus Gladwell.

    Ook Bill Gates, oprichter van Microsoft, zou zijn Hamburg hebben gehad. Toen hij in de tweede klas zat kocht zijn school, het particuliere Lakeside, de zogenaamde ASR-33 Teletype. Een timesharingterminal die een directe verbinding had met een mainframecomputer in de binnenstad van Seattle. “Bill Gates kon gaan programmeren in de tweede klas van de middelbare school in 1968! Vanaf dat moment woonde Gates in de computerruimte”, schrijft Gladwell. Het was geen gewone computer, maar het nieuwste van het nieuwste: een die zonder het tijdrovende ponskaartensysteem werkte, waarmee computerwetenschappers in die tijd zelfs nog mee in de weer waren. “Het was een obsessie voor me. Het kwam maar zelden voor dat we in een week minder dan twintig of dertig uur bezig waren”, aldus Gates over zijn middelbareschooltijd.

    Steve Jobs, medeoprichter van Apple Computer (tegenwoordig Apple Inc.), heeft volgens Gladwell ook zijn Hamburg gehad. Hij groeide op in Mountain View Calfornia, even ten zuiden van San Francisco, in het epicentrum van Silicon Valley, het industriegebied waar bedrijven als Hewlett-Packard en Intel het licht zagen. Jobs was een knutselaar en struinde alle elektronicabeurzen af op zoek naar onderdelen. Maar hij had ook lef: om gratis aan onderdelen te komen belde hij oprichter Bill Hewlett op. “Jobs kreeg niet alleen de gevraagde onderdelen, maar hij wist ook een vakantiebaan los te peuteren”, vermeldt de biografie Accidental Millionaire. “Jobs werkte bij een assemblagelijn voor het bouwen van computers en hij was zo gefascineerd dat hij er zelf een probeerde te bouwen.” In de woorden van Gladwell: “Jobs groeide in de branche op waar hij later zou heersen.”

    Wees jong als de revolutie uitbreekt
    Natuurlijk zijn er ook tal van tycoons die niet hun Hamburg hebben gehad. Maar het gaat Gladwell om de patronen. Om die te ontdekken heeft hij de Forbes-lijst van de 75 rijkste personen ooit bestudeerd. In de lijst, die aangevoerd wordt door grootindustrieel John D. Rockefeller (1839 – 1937), ontdekte hij dat 14 van de 75 rijksten allen Amerikaan zijn die binnen negen jaar van elkaar zijn geboren in het midden van de negentiende eeuw.

    Toeval? Allerminst, betoogt Gladwell. “In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw maakte de Amerikaanse economie misschien wel de grootste metamorfose van haar geschiedenis door. Het was de tijd waarin de spoorwegen werden aangelegd en Wall Street in opkomst was. Het was de tijd waarin de industriële fabricage pas goed begon. Het was de tijd dat alle regels volgens welke de traditionele economie had gefunctioneerd, werden gebroken en opnieuw gemaakt.” Als je echt wilde profiteren van die condities moest je begin twintig zijn ten tijde van de metamorfose. “Je moest geboren zijn tussen 1831 en 1839.”

    Terug naar Steve Jobs (24 februari 1955) en Bill Gates (28 oktober 1955). Zij waren begin twintig toen de Altair 8800, de eerste minicomputer ter wereld, in januari 1975 op de markt kwam. Dat moment wordt aangemerkt als de belangrijkste datum in de geschiedenis van de pc-revolutie. “Als januari 1975 de dageraad van het pc-tijdperk was, wie zou dan in de beste positie zijn om daar zijn voordeel mee te doen? Hier gelden dezelfde principes als in de tijd van John Rockefeller. Allereerst zou je natuurlijk niet te oud moeten zijn aan het begin van de revolutie. Alleen de jongeren hebben de vrijheid en het lef om een nieuw paradigma te omarmen”, zo duidt Gladwell de overeenkomst. Ook Bill Joy mag hier niet onvermeld blijven. Deze oprichter van Sun Microsystems, geboren op 8 november 1954, wordt wel de Edison van internet genoemd. “Als hij wat ouder was geweest, zou het venstertje dat hem de kans gaf om een ondersteunende code voor internet te schrijven intussen gesloten zijn.”

    Niet iedere softwaretycoon werd in Silicon Valley geboren in 1955, geeft Gladwell toe. “Sommigen werden dat niet, net zomin als elke zakenreus in de Verenigde Staten in het midden van de jaren dertig van de negentiende eeuw werd geboren. Maar hier zijn heel duidelijk patronen waar te nemen, en het opvallende is dat we daar zo weinig over lijken te willen praten. We doen alsof succes een kwestie is van individuele verdienste, maar uit niets in de verhalen die we tot nu toe hebben gezien blijkt dat de zaken zo eenvoudig zouden liggen.”

    Product van de maatschappij
    Alle uitblinkers profiteerden volgens Gladwell van de een of andere ongewone kans. “Het lijkt erop dat meevallers bij softwaremiljardairs, rockbands en topatleten geen uitzondering zijn, maar regel.” Zij werden volwassen in een tijd waarin een extra inspanning werd beloond door de rest van de maatschappij.

    Datgene wat wij als talent zien is volgens Gladwell in werkelijkheid een ingewikkelde combinatie van aanleg, kansen en een volkomen willekeurig voordeel. Gladwell betoogt zelfs dat Mozart, Gates en Rockefeller hun successen niet zelf gecreëerd hebben, maar dat hun succes een product was van de wereld waarin zij opgroeiden.

    “Er zat een logica achter”, zo richt Gladwell zich op bladzijde 76 tot zijn lezers. “Bedenk eens welke aanlokkelijke mogelijkheden zich zouden voordoen als we die logica begrepen.” Iedereen die tot de absolute top wil doorstromen zou er volgens Gladwell goed aan doen zijn eigen Hamburg op te zoeken.

    Gepubliceerd: NRC

NRC

Voor NRC Handelsblad, nrc.nl en nrc.next schreef ik sinds mijn aanstelling in september 2007 meer dan 800 artikelen. De meeste daarvan als opiniemaker voor nrc.nl.

Over de auteur

Archief artikelen van Steven de Jong. Op deze site kunt u zijn artikelen uit de periode 2001-heden lezen.

E-mail: dejongsteven@gmail.com
  • Volg Steven de Jong op Twitter!
  • Volg Steven de Jong op LinkedIn!